Copyright Thera Coppens

KINDEREN OP HUN MOOIST

(uit het AD Magazine 7 oktober 2000)

Het kinderportret in de Nederlanden 1500-1700

Nooit eerder werd in de lage landen een tentoonstelling gewijd aan individuele kinderportretten. Tot 22 april zijn er in het Antwerpse musuem voor Schone Kunsten voor het eerst in totaal vijfentachtig schilderijen te zien, waarop één of meerdere kinderen zijn geportretteerd. Op het eerste gezicht staan al die bekende of anonieme jongens en meisjes heel dicht bij onze eigen kinderen. De kleine Magdalena de Vos bijvoorbeeld draagt het blonde krulhaar in een soort paardenstaartje samengebonden op haar hoofd en heeft een ondeugend lachje; een spijkerbroek zou haar niet misstaan.

 Maar bijna alle historisch kinderportretten bevatten symbolische verwijzingen die voor ons soms moeilijk verstaanbaar zijn. Ze verrijken het schilderij met kleine wijsheden, die door onze voorouders direct werden begrepen. Magdalena bijvoorbeeld, draagt een rode rok met een bijpassend rood lijfje en de kersen in haar hand glanzen vurig tegen het wit van haar schort. Dat is niet omdat het kind toevallig fruit stond te eten. De kers werd in de schilderkunst al sinds de 15de eeuw herkend als 'de vrucht van het paradijs', een zekere beloning voor een deugdzaam leven. Aanvankelijk werd het Christuskind in de Zuidelijke Nederlanden op de schoot van de Madonna met kersen in de hand geschilderd. Die roomse afbeelding was in 1620 - toen Magdalena werd geportretteerd - in het protestantse noorden al lang uitgebannen. De diep gewortelde symboliek van de kersen bleef echter bestaan. Ook de versgeplukte bloemen in het haar van Magdalena komen veelvuldig voor als verwijzing naar onschuld en zuiverheid. Met wat meer kennis van de iconografie van onze voorouders krijgt een bezoek aan deze vaak ontroerende tentoonstelling een extra dimensie.

Een overzichtstentoonstelling van kinderportretten was een lang gekoesterde wens van Dr. D.P. Snoep, die sinds 1983 directeur van het Haarlemse Frans Halsmuseum. De tentoonstelling 'Kinderen op hun mooist' (die daar voor het eerst te zien was) maakt duidelijk, dat het schilderen van het individuele kinderportret een typisch Nederlands verschijnsel was. In geen ander land werden zoveel kleine kinderen ten voeten uit geschilderd. Je hoefde hier geen prins of prinsesje te zijn om voor een kunstenaar te mogen poseren. Koopmansdochtertjes, schooljongens en zelfs weeskinderen kijken ons in hun mooiste kleren onbevangen aan. In tegenstelling tot Italië of Frankrijk waar aristocratische kinderen deftig en bleek in volwassen houding model moesten staan, hebben de blozende Nederlandse koopmanskinderen hun pop, hond, stokpaardje of kolfstok bij zich. Ze zijn kind gebleven en werden in opdracht van hun ouders uit pure liefde en familietrots vereeuwigd.

Bij de keuze van de schilderijen ging het team van het Frans Halsmuseum vooral uit van de esthetische kwaliteit. Uit een overvloed aan materiaal in binnen- en buitenlandse musea en particuliere verzamelingen kozen ze vooral werken van grote schilders als Peter Paul Rubens, Jacob Gerritsz. Cuyp, Govert Flinck, Nicolaes Maes, Cornelis de Vos en Paulus Moreelse.

Maar een enkele keer werd van het kwaliteitsprincipe afgeweken en kozen ze voor het werk van een half naïeve lokale schilder, die een uniek tafereel schiep. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het curieuze portret van 'De Dordtse vierling' (1621). Aangrijpend is een anoniem familieportret, dat vermoedelijk het gezin van Jan Geritsz. Pan uit 1638 voorstelt . Hier werd het penseel bepaald niet door een meesterhand gevoerd. Maar de voorstelling spreekt wel recht tot het hart en er is in de Nederlandse schilderkunst geen tweede voorbeeld van te vinden. We zien vader en moeder Pan uit Enkhuizen - 32 en 31 jaar oud - voor een geopend venster met uitzicht op zee. Op de voorgrond is hun overleden nageslacht in drie grote wiegen van gevlochten riet uitgestald. Negen van hun overleden babies en peuters zijn daarin geportretteerd, liefdevol ingebakerd en getooid met kanten mutsjes en rode hoofddoekjes. De kleintjes die bij hun geboorte al waren overleden, liggen met gesloten oogjes onder hun rode, zwarte of grijze dekentje. Broertjes en zusjes, die het levenslicht wel aanschouwden maar spoedig daarna overleden hebben de ogen iets geopend. Links en rechts staan twee broertjes waarvan er één nog een rok draagt. Zij hebben het gevaarlijke eerste levensjaar overleefd. Het rechter kind heeft een koord in de hand waarmee het de wieg met de dode broertjes en zusjes kan laten schommelen. In de andere hand houdt hij een zilveren rinkelbel. De levende kinderen vormen de vreugde en trots van vader en moeder. Onderzoek in de doopboeken van het archief van Enkhuizen heeft aangetoond dat de moeder, geboren Wybrich Strijckebolle, naast het hier afgebeelde elftal nog acht andere kinderen ter wereld heeft gebracht. De toeschouwers van dit aangrijpende tafereel vragen zich niet in de eerste plaats af waarom de geknielde ouders zo'n merkwaardig kort bovenlijf lijken te hebben of waarom het gezicht van de jongen links schilderkundig gezien zo vaag is verbeeld. Ze verplaatsen zich veel eerder in het lot van de zeventiende eeuwse Enkhuizer familie. Hoe heeft deze moeder de zeventien bevallingen overleefd? Was het normaal dat in een gezin zoveel kinderen werden geboren en hoe reageerde men emotioneel op al die sterfgevallen? Dat brengt ons op de sociale kant van de tentoonstelling.

Bij het zien van al die onschuldige kinderogen is het pijnlijk te weten dat meer dan de helft van alle Noord-Nederlandse kinderen het achttiende levensjaar niet haalde. Tachtig tot vijfentachtig procent van de overleden kinderen stierf zelfs voor zijn vijfde jaar aan pest, pokken, tyfus en dysenterie of een van de gewone kinderziektes. De ouders leerden daarin vroom te berusten. Als een kind was geboren werd het door de vroedvrouw stijf ingebakerd en in de armen van de vader gelegd waarbij ze de traditionele woorden uitsprak: 'Vader zie daar is uw kind. Onze Lieve Heer geeft jou er veel geluk mee, of haalt het vroeg in Zijn Rijk.'

De moeders leefden in een trieste opeenvolging van baren en begraven. Sommigen slaagden er in het merendeel van hun kinderen in leven te houden. Juliana van Stolberg bijvoorbeeld, moeder van Willem van Oranje, bracht zeventien kinderen ter wereld die dankzij haar kennis van hygiëne en gezonde voeding bijna allemaal volwassen werden. Bij haar dood in 1580 telde ze meer dan honderdvijftig kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen.

Minder fortuinlijke moeders bezweken na hun zoveelste bevalling aan kraamvrouwenkoorts en lieten hun man achter met een huis vol half verweesde kleuters. De vader hertrouwde of bracht zijn kinderen bij de familie onder. Als ook hij stierf kwamen ze in het gunstigste geval in een weeshuis terecht. Het zeventiende eeuwse Frans Halsmuseum, dat ruim een eeuw dienst deed als Burgerweeshuis, vormt daarom een perfect decor voor de geschilderde kinderportretten. ( In het Antwerpse museum voor Schone Kunsten hebben de portretten in de hoge zalen meer ruimte. ) De museumzalen die om de historische binnentuin liggen, weerklonken ooit van hollende voetstappen en kinderstemmen. Ze waren er zelden gelukkig want de tucht was zeer streng en bij de opvoeding werd de roe niet gespaard. Ook binnen het gezin werden kinderen vaak hard aangepakt. In de zestiger jaren ontstond onder historici zelfs de opvatting dat de ouders in het verleden nauwelijks om hun kinderen gaven. De dood van een kind zou hen niet raken. Kinderen zouden slechts beschouwd worden als kleine volwassenen en goedkope arbeidskrachten. Het waren auteurs als Edward Shorter, Philippe Ariès en Lawrence Stone die met tal van voorbeelden hun theorieën wilden bewijzen. Volgens hen was de 'mythe van het moederschap' een uitvinding van de moderne mens. De historiografie van het kind is inmiddels teruggedraaid. De tentoonstelling valt mooi samen met de terugkeer van het geloof in oermenselijke gevoelens. Moeder- en vaderliefde blijkt een deugd, die in elk tijdperk onveranderd is.

Dat behalve deze deugd ook de ondeugd een onveranderbaar menselijk gegeven is, komt in de tentoonstelling soms aan de oppervlakte. Om de aandacht van het publiek te sturen zijn de kinderportretten gerangschikt volgens zeven thema's. Het eerste thema 'Het nieuwe gezin' opent met een prachtig doek door de Zuid- Nederlandse schilder Cornelis de Vos uit 1651 waarop de Antwerpse koopman Anton Reyniers, zijn vrouw Maria Le Witer en hun vijf kinderen als harmonieus en rooms gezin staan afgebeeld. De vader - kapelmeester van het Heilig Sacrament van de Antwerpse kathedraal - schilderde hij links met diens zonen. De moeder troont rechts met haar drie dochters. Ze dragen alledrie een gouden kruisje om de hals. Wie op dit portret van een gelukkig gezin ontbreekt is de buitenechtelijke dochter van de vader. We hadden nooit iets van haar bestaan geweten als ze in haar testament geen geld had nagelaten aan haar drie halfzusters.

'De eerste stappen' is een tweede thema dat in de sfeervolle, met goudleer behangen zaal van het museum te zien is. Zelfs jonge kinderen (t/m 6 jaar gratis entree) zullen hiervan genieten want behalve kinderportretten zijn er in vitrines allerlei voorwerpen geëxposeerd die met de kinderwereld te maken hebben zoals poppen, rinkelbellen, bikkels, kolfstok en sieraden. Het prachtige poppenhuis, een van de trekpleisters van de vaste collectie, krijgt op deze tentoonstelling een extra betekenis.

De eerste stappen op het pad van de kinderportretkunst werden aan het eind van de vijftiende eeuw in Vlaanderen gezet. De Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden vormden toen nog een eenheid. Er hangt een portret van de veertienjarige Philips, die later de bijnaam 'de Schone' kreeg, door de Meester van de Magdalena - legende uit ca 1492 (bruikleen 's-Heerenberg, Stichting Huis Bergh). Als vorstenkind is hij statig en serieus vereeuwigd, vervuld van de zware taak die hem als toekomstig hertog van Bourgondië wacht.

In de zestiende eeuw moesten veel Vlaams - protestantse kunstenaars voor de geloofsvervolging naar het tolerante noorden vluchten. Daar zou de kinderportretkunst in de Gouden Eeuw tot grote bloei komen. Dat in het huidige Nederland in de zestiende eeuw al gewone burgerkinderen werden geportretteerd bewijst onder meer het 'Portret van een twaalfjarige jongen' uit 1531 dat beurtelings wordt toegeschreven aan Jan van Scorel en Maerten van Heemskerck uit Museum Boymans van Beuningen te Rotterdam.

 De jongen met zijn rode baret toont één en al leergierigheid. Met zijn schrijfveer heeft hij een Latijnse spreuk op het doorschijnende papier in zijn hand geschreven en op de rand onder zijn portret staat een tweede Latijnse tekst afkomstig van Erasmus. Het portret van de lieve Christina van Warmondt (nummer 2) met haar mandje vol kersen, die in 1594 ten voeten uit stijfjes voor Isaac Swanenburg uit Leiden poseerde (bruikleen Museum Meermanno-Westreenianum, Den Haag) toont niets van geleerdheid. Voor deugdzame meisjes was het alleen belangrijk dat ze huishoudelijke taken leerden. Zelfs in de Gouden Eeuw toen bijna 80% van de jongens goed onderwijs genoten, leerde maar 50% van alle meisjes lezen en schrijven. De symboliek van de kers is ook op het portret van de kleine Christina duidelijk aanwezig. De pop die ze in haar rechterhand houdt is bepaald geen babypop maar een volwassen dametje. Deze voorgangster van de Barbie - pop heeft een mooie plooikraag en een statige, zwarte 'vlieger' een mouwloze overmantel die alleen door volwassen vrouwen werd gedragen. Christina kon alvast leren hoe ze zich later elegant en volgens stand moest kleden. Dat ze van goede huize kwam blijkt uit het familiewapen Van Warmondt met de rode, staande leeuw op een gouden veld. Het wapen werd in de rechter bovenhoek geplaatst. Links lezen we het jaar tal en de leeftijd van het meisje Aetatis 2.

Het thema 'Leren en spelen' is een visueel stukje opvoedkunde van voorbije eeuwen. Heel braaf en merkwaardig is 'De Tweeling' die in 1668 door de Antwerpse schilderes Johanna Vergouwen tijdens hun spel op een door balusters omgeven terras werd vereeuwigd (bruikleen Museum Huis Anno 1624, Hoorn). Vergouwen is de enige vrouwelijke kunstenaar van wie werk op deze tentoonstelling te zien is. Ze heeft haar hele rekwisietenkast leeggehaald om de beide jongetjes zo theatraal mogelijk in beeld te brengen. Ze dragen kleine borstharnasjes over hun roze- en geelzijden rokjes en op hun hoofd balanceren enorme, met wuivende struisveren versierde hoeden. De linker jongen heft fier een zweep en is gezeten op een stokpaard. Met felle blossen kijkt hij zijn broertje aan die een heldhaftige houding aanneemt. Jongens droegen in de zeventiende eeuw tot ongeveer hun zevende jaar een rok. Daardoor zijn ze soms moeilijk van kleine meisjes te onderscheiden. Er zijn echter een paar verschillen: zo dragen jongens wel een pluim op hun hoed en meisjes niet. Jongens dragen hun ketting onder de arm door diagonaal over de borst en meisjes laten hun ketting om de hals hangen. Het jongenshaar valt los op het voorhoofd terwijl meisjeshaar altijd in het midden werd gescheiden en strak naar achteren gekamd. Ook aan de hoeveelheid kant waarmee het schortje, mutsjes, de kraag en manchetten zijn afgezet vormt een aanwijzing. Het duidelijkste onderscheid tussen jongens en meisjes maken hun attributen: jongens hebben stokpaardjes, jachtvogels, pijl en boog of colfstok bij zich. Meisjes koesteren een pop en houden vaak allerlei soorten fruit of bloemen in hun handen.

Wie vervolgens voor het bekende portret van de kleine Willem van Loon (1636) door Dirck Dircksz. Santvoort (bruikleen Museum van Loon, Amsterdam) komt te staan heeft geen moeite meer om in de popperige gestalte met zijn zwarte rokje en smetteloze batisten schort een jongetje te herkennen. De pluim op zijn mutsje, de diagonale band over zijn borst en het haar dat losjes op het voorhoofd valt ontnamen de zeventiende eeuwse toeschouwers elke twijfel omtrent het geslacht van het kind.

Ook het zwierige portret van de 6-jarige Michiel Pompe van Slingelindt met zijn hond dat in 1649 werd geschilderd door Jacob Gerritsz. Cuyp ( bruikleen Dordrechts Museum, Dordrecht) is nu ondanks zijn enkellange, rode rok als jongensportret herkenbaar.

De gehoorzame hond op dit doek was in de kunst van de zeventiende eeuw een afspiegeling van de goede opvoeding. De bok daarentegen vertegenwoordigde het ongetemde en onkuise in de mens dat hij op jonge leeftijd moest leren beheersen. Plutarchus schreef al in zijn tractaat over de opvoeding: 'Dat men met grote zorgvuldigheid en toezicht de oneerlijke begeerlijkheden breidelt, want gezien hun leeftijd zijn ze (kinderen) overgevoelig voor prikkelingen en gemakkelijk geneigd zich aan alle soorten wellusten over te geven.'

Het portret dat Jan Albertusz. Rotius in 1652 van een vierjarige jongen met een bok schilderde (bruikleen Rijksmuseum, Amsterdam) kan als illustratie dienen van bovenstaande populaire opvatting. Op vele kinderportretten zijn ze met stok of breidel in de weer om een bok te beteugelen.

Als tegenhanger van de kwade bok stond het onschuldig lam. Het lam komen we op veel arcadische kinderportretten tegen. De kinderen zijn daarbij verkleed als frisse herders en herderinnetjes met vers geplukte bloemen in het haar. De schilder hoefde geen stijve, modegevoelige jurkjes te schilderen maar fantasiegewaden zonder opschik en de blote voetjes werden in romeinse sandalen gestoken.

Het portret van 'Twee kinderen met een lam' door Jacob Gerritsz. Cuyp (bruikleen Walraff -Richardts - Museum, Keulen) vormt daarvan een amusant voorbeeld. De beide kinderen omhelzen het schone lam en laten de lelijke bok links liggen. Het brave zwart witte hondje op de voorgrond bewijst dat de opvoeders hun werk goed hebben gedaan. Jacob Cuyp die dit pastorale genre graag beoefende ging nog een stapje verder door vanitassymbolen op de voorgrond te plaatsen. Kostbare parels, geldstukken en zeldzame schelpen vertellen de toeschouwer over de vergankelijkheid van aardse schatten. De blik moest altijd gericht zijn op het licht van de eeuwigheid. Door de onschuld van het lam te bewaren lag het paradijs binnen handbereik.

Studie, godsvrucht, moraal waren zaken voor de innerlijke vorming van het kind. Het uiterlijk was echter minstens zo belangrijk. Het thema 'Op hun mooist' toont kinderen in hun duurste kleding met de kostbaarste juwelen. Telkens weer vraag je je af of kinderen in de Gouden Eeuw er nu werkelijk zo opgetut bij liepen? Hoe kun je nu lekker op de grond zitten bikkelen als je zo'n strakke blauwe jurk moet dragen als de drie kinderen uit het geslacht Tjarda van Starckenborgh die door Jan Jansz. De Stomme werden geschilderd? (Bruikleen Groninger Museum, Groningen.) En de kleine Helena van Schalcke door Gerard ter Borch (bruikleen Rijksmuseum. Amsterdam) kan in haar wijde, witte japon met bijhorend tasje nog geen tien meter achter haar hoepel aanhollen zonder te struikelen. Waarschijnlijk werden kledingstukken als het blauwdamasten pronkgewaad van het beroemde 'Meisje in het blauw' door Johannes Verspronck uit 1641 alleen bij bijzondere gelegenheden gedragen.

Van de japon noch van de kleine, gesteven kanten halsdoek, de prachtige schouderkraag en 'neerstik' is een restant te vinden. Kinderkleren werden door jongere broers en zusjes vermaakt en afgedragen tot ze in de voddenbaal belandden. Het blijft wat kinderkleding uit de 16de en 17de eeuw betreft raden naar de grens tussen realiteit en fantasie. Misschien waren de veren waaier, de paarlen oorhangers en de driedubbele parelsnoer afkomstig uit het familiebezit. Maar het kan ook zijn dat de schilder zijn kleine model deze kostbaarheden leende. Een met damast en juwelen getooid meisje verhoogde de status van haar familie. En die kon de opdrachtgever niet hoog genoeg zijn.

Veel schilderijen op de tentoonstelling maken vooral door hun grote artistieke waarde diepe indruk. Sommige daarvan zijn nooit eerder tentoongesteld. Andere zijn zo goed als onbekend omdat ze zich in buitenlandse collecties bevinden.

Voor Dr. D. P. Snoep is 'Kinderen op hun mooist' de laatste tentoonstelling die onder zijn leiding werd gerealiseerd. De opening op 7 oktober is tevens zijn afscheid van het Frans Halsmuseum. Een melancholiek jongensportret door Jacob van Oost de Oudere (bruikleen National Gallery, Londen) is een van zijn favoriete schilderijen. Op het eerste gezicht is hier een impressionist aan het werk geweest maar het kan ook van de hand van een kunstenaar uit de romantiek zijn. Dit bewijst, dat Jacob van Oost zichzelf en de tijd in dit portret heeft overstegen. Want hij schilderde het in 1650 te Brugge en is daarom een tijdgenoot van Rembrandt en Rubens. De filosofische blik van de slanke jongen in het zwart, de wonderlijke de mof met bijpassende baret, de roodbruine tint waarvan het hele doek is doortrokken maken diepe indruk.

Van een overrompelende natuurlijkheid is 'Het kind met de vogel' door Peter Paul Rubens (bruikleen Gemäldegalerie Staatliche Museen Preussischer Kulturbesitz, Berlijn) dat hij tussen 1614 en 1624 schilderde. Virtuoos schetste de kunstenaar met enkele verfstreken de fladderende vogel in handen van het onbekende kind. Het licht valt warm op zijn witte kleding. Een wegvliegende vogel staat al honderden jaren voor de ziel die het lichaam verlaat. Heeft Rubens een jongen willen schilderen op het ogenblik van zijn dood? Maar de vogel heeft een draadje aan zijn poot. Duidt dat op een opvoedkundige boodschap? De geheimzinnigheid waarmee het tafereel is omgeven werkt in zijn voordeel: het kind speelt met de dood. Hij blijkt over de eeuwen heen dankzij Rubens springlevend.

 Thera Coppens