De Grote- of Onze Lieve Vrouwe Kerk te Breda (uit: Vitrine 1998)

 

HET ALBASTEN RAADSEL

 

Door Thera Coppens

 

 

Op 8 april 1998 opende koningin Beatrix officieel de gerestaureerde Grote- of Onze Lieve Vrouwe Kerk in Breda. Aan dit juweel van Brabantse gotiek dat sinds zes eeuwen het hart van de stad markeert, hebben vele generaties eeuwenlang gebouwd. De kerk is verrassend licht uit de schoonmaak- en herstelwerkzaamheden tevoorschijn gekomen. Daarin trekt het albasten grafmonument van Engelbrecht II van Nassau en diens gemalin de meeste aandacht. Het is een van de mooiste voorbeelden van renaissance beeldhouwkunst van ons land en toch bleef de naam van de maker een raadsel.

 

 

Wie de Grote- of Onze Lieve Vrouwe Kerk van Breda met interesse nadert, wordt overweldigd door een opeenstapelingen van welluidende architectonische termen. Daar zijn steunberen, pinakels, wimbergen, rosetten, lofwerk, gewelfribben en schoorbogen. Hoog boven deze gotische droom torent de 97,70 meter hoge kerktoren. Op gezette tijden storten de klokken hun klanken door de galmgaten omlaag.

Veel hebben de beeldenstormers in 1566 aan de buitenzijde vernietigd, daarvan getuigen lege consoles en zinloze baldakijnen. Van het interieur zijn de kostbaarste voorwerpen bijtijds in veiligheid gebracht. De kracht van het bouwwerk hield de geest van de middeleeuwse bouwmeesters overeind: in het witte interieur wijzen alle lijnen hemelwaarts. De zandstenen ribben komen samen in gebeeldhouwde sluitstenen, omrankt door geschilderd lofwerk. Er is een verrekijker nodig om ze goed te zien. Pas dan ontwaar je op 22 meter hoogte kleurige motieven zoals die van Maria, in de hemel gekroond door haar goddelijke zoon.

Het koor, dat aan de zijde van de Grote Markt ligt, vormt het oudste deel van de kerk. Als alle oude tempels en kerken is het gericht op het oosten, de richting van de zonsopgang en het heil. Graaf Engelbrecht I van Nassau liet deze gewijde plek in 1412 voltooien met de schenking van een koperen hek, dat nog altijd de scheiding vormt tussen koor en transept. Maar al ver voor de 15de eeuw moet er een houten parochiekerkje hebben gestaan. In 1269 toen 'men makede den stenne  monster te Breda' werd dit vervangen door een bakstenen kerk. In de loop der eeuwen groeide deze uit tot zijn huidige omvang met kooromgang, middenschip,  zijbeuken, kapellen en toren. De totale lengte bedraagt 77,20 meter. Het was de puissant rijke Vliesridder Hendrik III van Nassau (1483-1538), die de laatste belangrijke verfraaïing en uitbreiding van de kerk ter hand nam. Bij de dood van zijn kinderloze oom Engelbrecht II van Nassau erfde hij diens vermogen, waardoor hij zijn bouwlust kon botvieren op het kasteel en de kerk. Zo schiep hij in Breda met behulp van Italiaanse bouwheren het 'Florence van het noorden' dat in de Noordelijke Nederlanden zijn weerga niet kende. In de Onze Lieve Vrouwe Kapel liet hij tot slot het beroemde grafmonument oprichten voor zijn goedgevige oom en tante.

 

Hoe kwamen de Nassaus in Breda?

 

De bouwgeschiedenis van de kerk en de daarin aanwezige grafmonumenten zijn nauw verbonden met de geschiedenis van het Huis Oranje Nassau. Het was Jan I van Polanen, die Breda van de hertog van Brabant kocht en hier een versterkt huis liet bouwen. Hij stierf ca 1384 en zijn gehavende effigie ligt tussen die van zijn gemalinnen in de kooromgang.

Zijn zoon Jan II werd voor 1400 op het koor begraven. In de 18de eeuw vond men bij toeval de toegang tot de grafkelder 'daar 't lichaam van Heer Jan van Polanen nog in lag, en op deselve een roode fluweele met goud doorstikte beurs, waarin allerlei soort van goude en zilvere munte was,'.

Deze Heer van Breda kreeg slechts een dochter, die Johanna heette. De schatrijke erfdochter van Breda was een felbegeerde bruid. Engelbrecht I graaf van Nassau (ca 1370-1442) Domproost van Munster gaf zelfs zijn kerkelijke functie op om in 1403 met het elfjarige meisje te kunnen trouwen. Daarmee had de grafelijke familie Nassau binnen onze huidige landsgrenzen zijn intrede gedaan. Op het grafmonument dat tegen de binnenmuur van de kooromgang is gebouwd, werd Engelbrecht I in het harnas uitgebeiteld. Hij knielt in gebed voor de Madonna met haar kind. Naast en tegenover hem zijn Johanna van Polanen, hun zoon Jan IV van Nassau (1410-1475) en schoondochter uitgebeeld, allen in gezelschap van hun patroonheiligen. Het geheel is achter een kunstig smeedijzeren hek geplaatst.

Graaf Jan IV overleed op de Duitse Dillenburg maar zijn lichaam werd naar Breda overgebracht en daar in de grafkelder der Nassaus bijgezet. Zijn zoon Engelbrecht II van Nassau (1451-1504) volgde hem op. Hij trad in het voetspoor van zijn illustere voorouders en bekleedde een hoge plaats aan het hof van keizer Maximiliaan, die hem in 1473 tot Vliesridder sloeg.

Engelbrecht II werd Stadhouder van de Lage Landen en voorzitter van de Grote Raad. Het ontbrak deze Heer van Breda schijnbaar aan niets. Uit zijn wettig huwelijk werd, zoals onlangs uit onderzoek aan het skelet van Cimburga bleek, een kind geboren. Het overleed spoedig. Toen Engelbrecht in 1504 stierf, liet hij slechts bastaarden na.

Daarom erfde de oudste zoon van zijn broer, Hendrik III van Nassau (1483-1538), zijn hele bezit. Deze Vliesridder trouwde drie maal. Zijn tweede vrouw schonk hem een zoon: Reinier van Nassau. Deze jongen kon na de dood van zijn oom Philibert van Châlon prins van Oranje diens hele bezit inclusief titels erven, op voorwaarde dat hij zijn naam wijzigde. Dat deed Reinier en hij ging als René de Châlon prins van Oranje de historie in. Toen deze veelbelovende jonge ridder in 1544 sneuvelde, werd zijn 10-jarige neef Willem van de Dillenburg als erfgenaam aangewezen.

Het levensverhaal van prins Willem van Oranje Nassau (1533-1584) is bekend. Als de Tachtigjarige Oorlog er niet tussen was gekomen, hadden diens nazaten tot op de dag van vandaag in de Bredase grafkelders hun laatste rustplaats kunnen vinden.

 

Van triptiek tot zitterkes

 

Bij een rondgang door de kerk komen we de naam van Hendrik III van Nassau steeds tegen. Als Vliesridder verkeerde hij aan het hof van keizer Karel V en diens zuster landvoogdes Maria van Hongarije. Voor de verfraaiïng van zijn kerk en paleizen kon hij zich tot de beste hofschilders wenden. Zo gaf hij Jan van Scorel opdracht een drieluik te schilderen voor de Onze Lieve Vrouwe Kapel.

Van Scorel en zijn medewerkers leverden een kolossaal triptiek, dat de eeuwen overleefde. Op het middenpaneel zien we de vinding van de drie kruisen door keizerin Helena. De zijluiken zijn aan binnen- en buitenzijde o.m.  beschilderd met taferelen uit de levens van St. Hubertus, St. Jeronimus en keizer Constantijn.       

In 1534 bestelde Hendrik III voor de kerk een nieuw orgel. Het huidige orgel, een Flentroporgel, werd samengesteld uit diverse oude en nieuwere onderdelen.

Het instrument is vermaard om zijn klank. Links van de torenvoet ligt de doopkapel, waarin zich de geelkoperen doopvont bevindt met de kunstige gesmede kraan, waar het deksel aan hangt. De vont werd in de eerste helft van de 16de eeuw in de zuidelijke Nederlanden gegoten.

 

Tijdens eerdere restauraties ontdekte men onder een laag witkalk allerlei muurschilderingen. Tegen de wand naast de doopkapel, waadt de 8 meter hoge gestalte van St. Christophorus in zijn rode mantel door het water. Het Christuskind zit met de wereldbol in de hand op zijn schouders. In de verte zien we scheepjes op de rivier dobberen en op de rotsachtige oevers komen vreemde wezens tevoorschijn; een aap die op zijn kop staat, kabouters en een monster dat een vis opeet.

 

Van meer verheven aard is de muurschildering tegen de noordwand van het transept. Met behulp van geavanceerde technieken werd het gehele laat 15de eeuwse fresco onlangs van de muur gehaald en in Amsterdam gerestaureerd.

Voor het eerst zien we het kleurige tafereel in al zijn schoonheid: de heilige Maria, verrast door de engel Gabriël, zit in een middeleeuwse interieur. Tussen hen in staat de koperen vaas met blanke lelies, die op haar maagdelijkheid duiden.

Een andere gave muurschildering werd teruggevonden op een zuil van het koor.

Het is de heilige apostel Jacobus de Mindere.

Op het koor staan aan weerskanten de 15de eeuwse eikenhouten koorbanken met hun rijke houtsnijwerk. Op de zijwang aan de kant van het presbyterium, speelt zich de legende af van St. Barbara, patrones van Breda. We zien hoe de wrede vader zijn dochter eigenhandig onthooft, omdat ze haar geloof niet op wil geven.

Haar gezicht is door beeldenstormers weggehakt maar haar weelderige haardos golft nog aandoenlijk over haar schouders.

Omdat de koorheren tijdens het zingen van de getijden soms urenlang moesten staan, werden tegen de onderkant van hun opgeklapte zittingen een misericorde of zitterke aangebracht. Ze konden daarop wat steun vinden. Het zou ongepast zijn hier religieuze motieven aan te brengen en daarom hebben de houtsnijders zich uitgeleefd in het maken van draken, gedrochten, narren en grappige spreekwoorden.

 

Het grafmonument van Engelbrecht II van Nassau

 

Niemand zal voorbijgaan aan het grafmonument dat in de Prinsenkapel, vroeger Onze Lieve Vrouwe Kapel, staat opgesteld. Vier geknielde, albasten figuren dragen een zwartmarmeren dekplaat op de schouders waarop de complete wapenrusting van een Vliesridder ligt uitgestald. Onder de dekplaat zijn de gisanten van Engelbrecht II en zijn gemalin Cimburga van Baden in blank albast gebeeldhouwd. Cimburga verkeert in haar mooi geplooide doodskleed in een ontspannen, eeuwige rust. Haar man, die zoals na recent onderzoek bleek aan een chronische geslachtsziekte leed, toont een uitgemergeld gelaat. Zijn lichaam ligt moegestreden op de gevlochten doodsmat, waarvan de strootjes bijna te tellen zijn. Het zijn geen koude beeldhouwwerken maar mensen, die herkenning en medeleven opwekken.

In 1538, nog voor het monument was voltooid, stierf Hendrik III van Nassau.

Niet Engelbrecht maar Hendrik zelf werd in de nieuwe kelder onder het monument te ruste gelegd. Hij heeft het raadsel van de schepper van dit meesterwerk in zijn graf meegenomen.

De vergeten naam van de kunstenaar werd al vroeg een onderwerp van gissingen. Duidelijk is te zien, dat de beeldhouwer een reis door Italië heeft gemaakt en daar onder de betovering raakte van de nieuwe vormentaal van de renaissance. Het is dus niet zo vreemd dat Thomas Ernst van Goor in zijn 'Beschrijving der Stadt en Lande van Breda' in 1744 beweerde, dat het monument werd gemaakt door ene 'Michiel Angelo Buonaroto'. Een ander noemde Giovanni da Bologna als schepper, weer anderen Torrigiani, Jan Gossaert van Mabuse of Jan Mone. Zelfs Thomas Vincidor uit Bologna, de man die het kasteel van Breda herschiep en ook werkzaamheden aan de kerk uitvoerde, werd genoemd. In het kerkarchief bevinden zich vele rekeningen en betalingen aan metselaars, beeldsnijders, kopergieters en schilders. Maar een afrekening met de beeldhouwer van het monument is er niet bij.

 

Zo aangrijpend is het gelaat van de ontslapen Engelbrecht van Nassau, dat het zich onuitwisbaar in het geheugen prent. Het was een vreemde ervaring om op de tentoonstelling 'Fiamminghi a Roma' in 1995 dit gezicht terug te zien. Maar het bleek niet de graaf van Nassau te zijn, die daar op zijn gevlochten doodsmat ontdaan van al zijn aardse glorie lag. Het was de albasten gisant van Jean de Hennin-Liétard graaf van Bossu, Vliesridder en opperstalmeester van Karel V. In de catalogus van deze tentoonstelling staat te lezen: 'Ondanks zijn buitengewone karakter bleef het beeld van de dode tot 1985 onopgemerkt.'

Na onderzoek is deze schepping toegeschreven aan de uit Mons afkomstige beeldhouwer en architect Jacques Dubroeucq (1500-1584). De gisant van Bossu werd vergeleken met het gesigneerde praalgraf, dat Dubroeucq in opdracht van de moeder van de in 1538 overleden Eustache de Croy, bisschop van Atrecht maakte. Het was bestemd voor de Onze Lieve Vrouwe Kerk in Saint-Omer.

In deze noord-Franse stad gekomen wacht er een nieuwe schok. Want de beeltenis van de overleden bisschop, toont een nog sterkere verwantschap met die van Engelbrecht II en zijn vrouw in Breda. Het is niet alleen de veel voorkomende combinatie van blank albast en zwart marmer maar vooral de houding, de behandeling van het meelijwekkende gelaat en de plooivalling van het doodslaken, die veel overeenkomst vertonen. Dan dringt zich de vraag op: is het mogelijk dat Jacques Dubroeucq de veelgezochte schepper is van het grafmonument in Breda?

 

In 1985 werd er in zijn geboortestad Mons een tentoonstelling gewijd aan de Henegouwse kunstenaar. De summiere biografische gegevens zijn daarin te vinden: Dubroeucq verbleef tussen 1530 en 1535 in Italië om de renaissance-kunst te bestuderen. Hij verkeerde daar o.a. in gezelschap van Maerten van Heemskerck. In 1535 keerde hij terug naar Mons om in opdracht van het kapittel van St. Waltrudis een oxaal te maken. Hij was jarenlang met het uitwerken van de omvangrijke opdracht bezig maar nam blijkbaar ook andere opdrachten aan.

Het grafmonument in Saint-Omer, dat kort na 1538 ontstond, is het eerste werk dat met zekerheid kan worden toegeschreven aan Dubroeucq. Sindsdien steeg zijn roem; hij werd 'maître artiste de l'empereur' en landvoogdes Maria van Hongarije belastte hem met de bouw van haar luxueuze lusthoven in Binche en Mariemont. Toen de Franse koning deze veel geroemde paleizen uit wraak verwoestte, ging het levenswerk van Dubroeucq verloren. En daarmee raakte ook zijn naam in de vergetelheid. Beter verging het zijn leerling Jean Boulogne.

Deze kunstenaar, die in 1554 naar Italië trok, ver-italianiseerde totaal. Hij werd

als Giovanni da Bologna of Giambologna onsterfelijk; zijn Neptunusbron in Florence is door kunsthistorici uit alle tijden geroemd. Het is deze leerling van Dubroeucq, die wel als schepper van het grafmonument in Breda is genoemd.

Waarom niet de meester zelf? Deze beeldhouwer was, als zoveel andere kunstenaars, onder verschillende namen bekend: Vasari noemde hem Jacopo Bruca en hij signeerde zelf met Gidubrq, Ladubrq of eenvoudig Giacomo.

 

Hendrik III van Nassau heer van Breda, bevriend met de keizer, moet Dubroeucq aan het hof van nabij hebben gekend. Het is dus heel goed mogelijk dat hij de nog jonge, uit Italië teruggekeerde beeldhouwer opdroeg de gisanten van Engelbrecht II en Cimburga van Baden voor hem te maken. Bij Hendriks plotselinge dood in 1538 heeft Dubroeucq het werk gestaakt en is naar Henegouwen vertrokken om aan het praalgraf van de bisschop van Atrecht te beginnen, dat hij in dezelfde stijl voltooide.

Het verdient aanbeveling de kerkarchieven en de persoonlijke documenten van Hendrik III graaf van Nassau aan een hernieuwd onderzoek te onderwerpen, nu gericht op de naam en afgeleide namen van Jacques Dubroeucq. Waar marmer en albast zwijgen als het graf, kan papier veelzeggende informatie geven. De uitkomst van het onderzoek zal echter niets kunnen toevoegen aan de schoonheid van het Bredase grafmonument, dat over de eeuwen heen het aangrijpende stervensuur van de graaf van Nassau blijft verhalen.

 

     

Voor alle inlichtingen: Stichting Grote- of Onze Lieve Vrouwe Kerk, Postbus 1017 4801 BA Breda tel: 076-5218267. De kerk is dagelijks geopend. De gehele zomer door worden er orgel-en andere concerten gehouden en er vinden lezingen, tentoonstellingen en andere culturele manifestaties plaats.  

 

literatuur o.m.:

'Jacques Dubroeucq, sculpteur et architecte de la renaissance' cat. exposition organisé par la collégiale Sainte-Waudru Mons, 1985

 

Jan Kalff: 'De Monumenten van geschiedenis en kunst in de provincie Noordbrabant' eerste stuk. Utrecht, 1912