Copyright Thera Coppens

www.historisch-toerisme-bureau.nl

 HET BINNENHUIS

 Gepubliceerd in: Vitrine juli/augustus 2001

Koopmanshuis, kunstenaarswoning, kasteel

Wonen: een werkwoord dat we levenslang vervoegen. In slaapkamers, salons, keukens, zolders, op trappen en in kelders wonen wij. In elk tijdperk wordt er iets anders verzonnen om het wooncomfort te verhogen en het interieur te verfraaien. Stoel, tafel, kist en kast werden uitgevonden. Ooit werd de eerste deurlijst van snijwerk voorzien, kreeg de eerste haard een marmeren schouw, werd het eerste plafond beschilderd.

Er bleef echter een grote groep arbeiders die al lang blij was als hij een dak boven het hoofd had. Van enige luxe of versiering was in zijn huis geen sprake. De woningbouwwet van 1901 vormt een mijlpaal in de geschiedenis van het wonen. Dit jaar is het precies honderd jaar geleden dat deze wet een einde maakte aan het bouwen van krappe, ongezonde woningen en slechte stadsplanning.

In het kader van de Manifestatie Historisch Interieur 2001 heeft men een inventarisatie gemaakt van bijzondere historische interieurs. Boeken, een documentaireserie (NCRV), een symposium en tentoonstellingen vestigen de aandacht op de geschiedenis van het wonen.

In het weekend van 8 en 9 september - op Open Monumentendag - zullen tientallen interieurs toegankelijk zijn. Daar zijn de zalen bij van bekende kastelen en buitenplaatsen. Maar ook volslagen onbekende particuliere woningen, villa's en boerderijen met stijlzuivere interieurs vol herinneringen.

Vitrine selecteerde drie curieuze historische huizen, die gewoonlijk niet voor publiek toegankelijk zijn: een koopmanshuis, een kunstenaarswoning en een kasteel.

 

Het Snouck van Loosenhuis te Enkhuizen

 

Aan de Oude Haven van Enkhuizen ligt, schuin tegenover de Drommedaris (1540), het fraaie Snouck van Loosenhuis. Met zijn 18de eeuwse hoge, natuurstenen stoep, zijn gebeeldhouwde daklijsten en aangrenzende koepel onderscheidt de statige koopmanswoning zich sterk van de overige huizen en huisjes langs het water. Het huis werd in 1741 gebouwd voor Mr . Dirk Semeijn van Loosen en zijn echtgenote Maria Bontekoning. Een voornaam echtpaar: zij was een telg uit de familie van Amsterdamse houthandelaren, hij werd tijdens de bouw voor de achtste maal tot burgemeester gekozen en was onder meer bewindhebber van de VOC.

Maar de huidige Enkhuizenaars kennen het pand niet anders dan als bejaardentehuis. Sinds 1893 bood het plaats aan acht dames die hier hun laatste jaren sleten, uitkijkend over de binnenkomende - en uitvarende schepen. Het voldeed echter niet meer aan hedendaagse wooneisen en sinds 1998 staat het huis leeg.

Interieur

Wie binnenkomt wordt direct overvallen door de schoonheid van de monumentale, met wit marmer beklede gang die zich naar achter toe versmalt, waardoor er een nog grotere dieptewerking ontstaat. Tegen het stucwerk plafond is een geblinddoekte putto te zien die met zijn weegschaal en zwaard op speelse wijze verraadt dat Dirk Semeijn ban Loosen  rechten studeerde.

Tegen de muurvlakken symboliseren Neptunus, een stroomnymph, Mercurius en Minerva zeevaart, handel en nijjverheid waarmee de familie zijn rijkdommen vergaarde. Een viertal dubbele vleugeldeuren geeft toegang tot de woonvertrekken.

De rechterhelft van het woonhuis met zijn aangrenzende koepel dateert uit 1741-'42 en is uitgevoerd in de overgangsstijl Louis XIV en Louis XV stijl. De sfeer van de oude woonkamers wordt bepaald door de paarsrode wandbespanning van velours d'Utrecht die hier in 1742 werd aangebracht en vrijwel onbeschadigd de eenentwintigste eeuw heeft gehaald. Gelukkig hebben latere bewoners hier geen geld besteed aan moderniseringen en verbouwingen waardoor de rijk bewerkte porte-brisé tussen beide vertrekken onaangetast bleef. Wel werden in 1892 de plafondschilderingen uit hun medaillons gehaald om plaats te maken voor nieuwe werken door Pieter van Egmond en diens vriend Mathias Garms. In de achterkamer heeft de unieke schouw van zwart, gepolijst natuursteen met zijn witmarmeren ornamentiek wel iets van een adellijk grafmonument. Maar het houtsnijwerk daarboven heft de kille sfeer op; de z.g. boezem is overladen met zeegodjes, een waterspuwende dolfijn, adelaar, reiger en bloemen. De Haagse schilder Pieter Terwesten (1714-1798) schilderde het mythologische schoorsteenstuk.

De grootste verrassing van het huis bevindt zich in de paarsroodfluwelen wanden links en rechts van deze schouw. Daarin zijn twee halfronde buffetnissen gebouwd, versierd met rijke rococo-ornamenten. De planken waarop ooit het familieporselein- en glaswerk stond te pronken, zijn afgezet met originele, vergulde loden sierstrips.

Aan de overzijde van de gang betreden we de linkerhelft van het huis dat omstreeks 1790 werd aangebouwd en uitgevoerd in Louis XVI stijl. De wanden zijn bekleed met goudleerbehangsel  uit 1742 dat zich oorspronkelijk in de tuinkamer van het achterhuis bevond. Ook de witmarmeren schouw met zijn schoorsteenstuk uit 1742 door Mattheus Terwesten (vader van Pieter Terwesten) werd - toen het achterhuis ten behoeve van het bejaardentehuis moest worden afgebroken - naar het voorhuis overgebracht. Door drie hoge schuiframen heeft men zicht op de Oude Haven.

Onder de bel-etage bevindt zich een ruim souterrain vanwaar een marmeren gangetje naar de unieke koepel leidt. Het elegante gebouwtje heeft een driezijdige erker aan de straatzijde. Je zou verwachten dat men hier in de pruikentijd theevisite ontving en een meerschuimen pijp rookte. Maar de bevallige koepel met zijn fraaie medaillons, antieke schouw en rococo wandbetimmeringen was in de achttiende eeuw in gebruik als havenkantoor. De schippers konden vanaf de kade de koepel via een speciaal poortje bereiken en zaken doen met  reder  Van Loosen. Ook de bekende slavenhalers Gebr. Haak hebben hier kantoor gehouden.

Een mooi betimmerd buffetkastje bevatte waarschijnlijk karaffen met sterke drank om na afloop van de handel het glas te heffen. In een aangrenzend betegelde kamertje was plaats voor het secreet, thans toilet.

Familiehistorie

Mr. Dirk Semeijn van Loosen (1696-1757)  en Maria Bontekoning kregen twee zonen, die echter jong stierven. Toen Dirk op 61-jarige leeftijd overleed bleef zijn weduwe tot haar dood in 1786 alleen het grote huis bewonen.

Neef Dirk Elias van Loosen (1738- 1812), zoon van Pieter Jansz van Loosen, erfde het pand aan de Oude Haven. Dirk was evenals zijn vader bewindhebber van de West-Indische Compagnie ( WIC). Ze hielden zich vooral bezig met het slaventransport van Fort Elmina aan de kust van west Afrika  naar o.a. Suriname en Curacao. Dirks enig kind was een dochter Cornelia Petronella van Loosen (1772-1846). Ze trouwde in 1793 met Samuel Snoeck (1766-1839) een luitenant-ter-zee, die na zijn nieuw verworven status de naam Snouck (spreek uit Snoek) van Loosen kocht. Een deftig geheel waarmee de familie nog eeuwen goede sier had kunnen maken. Ook hij hield zich verder bezig met de slavenhandel in samenwerking met de Enkhuizer firma van de Gebroeders Haak. Uit zijn huwelijk werden zes dochters geboren, van wie drie ongehuwd in het ouderlijk huis achterbleven. Ze woonden er nog veertig jaar totdat de laatste Maria Margaretha in 1886 overleed. Ze nam de familienaam mee in het graf.

In al die jaren was er zuinig geleefd en niets aan het interieur veranderd. Wat er met Maria Margaretha's vermogen moest gebeuren werd uitvoerig beschreven in haar testament en opende een nieuw Snouck van Loosen-tijdperk. Het begon met langdurige familieruzies over de nalatenschap en eigenlijk is er nog steeds geen duidelijkheid over de kwestie.

Allerlei fondsen voor goede doelen werden door haar ruim bedeeld. Maar haar naam leeft vooral voort in drie sociale projecten: de stichting van het Snouck van Loosen - tehuis voor bejaarde dames, de bouw van een ziekenhuis (thans een sociaal medisch centrum)  en de realisatie van vijftig gezonde arbeiderswoningen in chaletstijl in het z.g. Snouck van Loosenpark, dat schuin tegenover het huidige NS station van Enkhuizen ligt. Daarmee was de sociaal bewogen Margaretha haar tijd vooruit - de woningwet zou pas in 1901 van kracht worden. Om haar woonprojecten te realiseren werd de jonge Amsterdamse architect C. B. Posthumus Meyers (1858-1922) ingeschakeld.

De architect liet het achterhuis van het Snouck van Loosenhuis afbreken om in de tuin plaats te maken voor een drie verdiepingen tellende huis in de toen zo modieuze neo-renaissance stijl. Daarin werden acht appartementen met zit- en slaapkamers voor de bejaarden opgenomen. Posthumus Meyers heeft het 18de eeuwse voorhuis bij de ingrijpende verbouwing zoveel mogelijk gespaard. Het enige dat in de monumentale gang nu nog aan de vroegere functie herinnert is een houten leuning, die langs de marmeren lambrizering van de trap naar de voordeur leidt. Tientallen oude handen vonden daarlangs de weg naar de Oude Haven. Nu wacht het Snouck van Loosenhuis ontdaan van al zijn vroegere functies op een nieuwe bestemming.

 

De Zeeuwsche knoop in Apeldoorn

 

Er staat een raadselachtige spelfout op de pui van het Apeldoornse woonhuis: De Zeeuwshe Knoop (1909). Maar dat verhindert de voorbijgangers niet te begrijpen, dat hier een stuk heimwee naar Zeeland heeft vorm gekregen. Onder de punt van het dak is aan voor-en achterzijde de Zeeuwse knoop in gestileerde vorm uitgebeiteld. Dezelfde folkloristische versieringen komen we in het in- en exterieur veelvuldig tegen. De Zeeuwse muts, de mutsspelden, oorijzers, druppelparels, 'strikken', kralenkettingen en -sloten van Zeeuwse boerinnen springen als ongewone Jugendstil ornamentiek in het oog.

Wie zich nu een onmogelijk stuk kitsch vol tierelantijnen voorstelt heeft het mis. Het woonhuis in de Apeldoornse Tutein Noltheniuslaan 14 ooit bewoond door de beeldhouwer Pieter Puype (1874-1942) is zelfs in een zakelijke stijl gebouwd, slechts verzacht door zijn versieringen. Zeker vergeleken bij de omringende villa's die aan het begin van de twintigste eeuw in deze parkachtige omgeving verrezen, vormen de contouren van De Zeeuwsche Knoop een toonbeeld van strakke eenvoud. De hele wijk is om zijn uniek architectonisch karakter thans beschermd gebied.

De beeldhouwer Pieter Puype was de zoon van een houtsnijder uit Souburg. Hij volgde een opleiding aan de Rijksschool voor kunstnijverheid en de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam. Onder druk van de economische omstandigheden vertrok hij met zijn vrouw - die altijd haar Zeeuwse klederdracht zou blijven dragen - en kinderen naar Apeldoorn waar hij als tekenleraar aan de ambachtsschool aan de slag kon. Door de nabijheid van Paleis Het Loo waarin de jonge koningin Wilhelmina woonde, had het Veluwse dorp aantrekkingskracht op beter gesitueerden en maakte in deze jaren een explosieve groei door.

Puype werkte om wat bij te verdienen als houtsnijder in de meubelwerkplaats van architect/aannemer Chris Wegerif (1859-1920) die in 1898 de Haagse kunsthandel Arts and Crafts op de Kneuterdijk had opgericht. Met zijn vrouw Agathe verhandelde Wegerif spraakmakende Art Nouveau kunstnijverheid artikelen. Het Apeldoornse huis van dit inspirerende echtpaar stond open voor jonge kunstenaars als Thorn Prikker, Willem Bauer, Lion Cachet, Frederik van Eeden etc. De veelzijdige Chris Wegerif sloot vriendschap met zijn Zeeuwse houtsnijder en ontwierp voor hem een atelierwoning op een voordelig, langwerpig perceel aan een nog onbebouwd zandpad bij een beek.

Zandpad en beek zijn inmiddels verdwenen maar de atelierwoning is stijlzuiver bewaard gebleven. Het bescheiden bakstenen huis (oorspronkelijk slechts 8 X 11 meter) is voorzien van pleisterwerk. De opvallende raam - en deuromlijstingen van Bentheimer zandsteen zijn vanaf de straat goed te zien zijn. Overal bracht de architect de toen zo modieuze trapeziumvorm aan: boven deuren, in deurpanelen en in het interieur. Aan weerszijden van de   voordeur met klinknagels, schijnen twee pilasters de omlijsting te torsen. Naast een

trapeziumvormig glas-in-lood venstertje met Zeeuwse knoop in de voorgevel, zijn op de schouderstukken in laagreliëf Zeeuwse mutsen en sieraden uit Walcheren zichtbaar. Links zien we de initialen CW van de architect Chris Wegerif en rechts PP van de ornamenteur en bewoner Pieter Puype en het bouwjaar: 1909.

De hal is niet groot maar ademt de sfeer van de tijd: mooie trapsgewijze vormen langs de spil van de trap, een zacht licht dat door de glas-in-lood ruitjes naar binnen valt en een eenvoudig balkenplafond. Tegen de muur rechts is een tegeltableau aangebracht in geel, paars, wit en zwart gedecoreerd met Zeeuwse figuurtjes.

Aanvankelijk werd het huis doorsneden door een gang met links het atelier van de beeldhouwer en rechts de woonkamer en keuken van het grote gezin. Toen Puype in 1913 over een gedempt stuk van de beek een apart atelier liet bouwen - zijn reliëfportret is nog in de top tegen de buitenmuur zien - werd er van de afzonderlijke ruimtes van het woonhuis één groot vertrek gemaakt. De hoog geplaatste atelierramen met hun gebogen stalraam-vorm bleven bewaard. Boven de deur naar het voormalig atelier hangt een van tekst voorzien eikenhouten paneel, waarin Puype het Zeeuwse Pinksterdrie-ringrijden heeft gesneden.  

De open haardpartij met zijn trapeziumvorm, paars-gele tegeltjes en pilasters trekt in het interieur alle aandacht. In de strenge, donkere steensoort zijn speelse motieven uitgebeiteld: dansende meisjes om een meiboom. De ruimte boven de schouw heeft een iets verlaagd balkenplafond dat door twee witte kolommen wordt gedragen. Onder de witte verf zijn oudere Zeeuws-rode verflagen te zien.

Links van de haard bevindt zich een curieuze wandkast met ronde, vierkante en

rechthoekige ruitjes. De deur aan de andere kant van de haard - die toegang geeft tot de gemoderniseerde keuken - is veel soberder. Rechts is een kleine, koepelvormige erker aangebouwd met hoog geplaatste glas-in-loodraampjes. Ze boden zicht op het bedienden- en leverancierspaadje dat naar de keukendeur leidde. De overige bovenlichten van de woonkamer zijn ingezet met heel fijne gebrandschilderde glazen, waarin tientallen malen Zeeuwse kralenkettingen en andere Zeeuwse opschik terugkomen.

Op het nabije Loo kwam Koningin Wilhelmina ter ore welke architectonische nouveauté zich in haar woonplaats bevond. Met Prins Hendrik bracht ze Pieter Puype en diens in klederdracht gehulde echtgenote een bezoek. De koningin nam zelfs enkele tekenlessen bij Puype.

De grotere opdrachten lieten nu niet lang op zich wachten: Puype schiep voor de gemeente

Apeldoorn o.m. een Herinneringsbank met het portret van burgemeester Tutein

Nolthenius en een bronzen buste van koning Willem I op het Raadhuisplein. De meest interessante schepping blijft zijn eigen atelierwoning met zijn wonderlijke Zeeuwse decoraties: een monument van heimwee. 

 

Kasteel De Slangenburg bij Doetinchem

 

Het interieur van een huis wordt pas echt interessant als de bewoner er een persoonlijk stempel op weet te drukken door er zijn beroep, verlangen of heimwee in tot uiting te brengen. De bewoner van de Slangenburg bij Doetinchem deed dit in extreme mate: hij liet ons in de zalen van het kasteel uitvoerige uitingen van liefde en rouw na. Maar liefst dertien vertrekken van het door bossen omringde kasteel zijn voorzien van plafondschilderingen met mythologische taferelen. Wie de bewogen allegorieën weet te interpreteren, leest in elke zaal opnieuw het trieste verhaal van de liefde van Frederik Johan van Baer voor Dorothea Petronella van Steenbergen tot Duijstervoorde. Zij ontmoetten elkaar tijdens de jacht en trouwden in 1665. Na het huwelijksfeest werd de bruid ziek, lag nog bijna een jaar te bed in Emmerik en overleed in 1666. De weduwnaar is het verlies niet te boven gekomen. Hij hertrouwde nooit en besteedde de rest van zijn leven vooral aan de realisatie van een geschilderde liefdesverklaring aan zijn gestorven bruid.   

Het van oorsprong 15de eeuwse kasteel was al twee eeuwen eigendom van het geslacht Van Baer toen Frederik Johan baron Van Baer het erfde. De dubbel omgrachte Slangenburg heeft twee bouwlagen, een royale kelder en een grote zolder. Aan weerszijden van het kleine voorplein zijn zijvleugels aangebouwd en aan de achterzijde twee ronde hoektorens. Op het grote voorplein staan de bouwhuizen.

Na de dood van Dorothea nodigde Van Baer de Zaltbommelse schilder Gerard Hoet (1648-1733) uit om zijn kasteel van schilderingen te voorzien. Onder de grote meesters van de Gouden Eeuw nam Hoet geen vooraanstaande plaats in. Hij had echter ijverig de Griekse en romeinse mythologie bestudeerd, was degelijk geschoold in het figuurschilderen en bleek nog betaalbaar ook. Hoet reisde met zijn verfspullen naar de Gelderse Achterhoek en begon aan de uitvoering van een opdracht die in ons land zijn weerga niet kent: maandenlang lag hij op een steiger op zijn rug om de houten plafonds te beschilderen, hij werkte aan schoorsteenstukken, deurstukken en wandbeschilderingen. Daarbij werd hij steeds op de vingers gekeken door zijn bemoeizuchtige opdrachtgever. Hoet wilde academisch verantwoorde afbeeldingen van goden en godinnen als Jupiter, Ceres, Dido en Juno schilderen. Van Baer dacht slechts aan zijn Dorothea en gaf een eigen interpretatie aan de eeuwenoude verhalen. J.C. Weyerman, een vriend en collega van Hoet, schreef over 'de dwang die de generaal op de kunstenaar uitoefende om te wijken van de correcte wijze van voorstellen.'  Ook A. Houbraken merkt in 'De grote Schouburgh der Nederlandsche konstschilders' (1718-19) op dat er 'eenige dingen zijn die van kenners gewraakt zouden kunnen worden, omdat Hoet dien heer die wat eigenzinnig was, niet kost verzetten in zijn bevattinge'.

Gelukkig is het dus geen saai standaard oeuvre geworden maar een originele uitdrukking van de verheven aandoeningen ener 17de eeuwse Heer van Stand. In drie vertrekken leren we Van Baer persoonlijk kennen: de westelijke torenkamer (plafondschildering met allegorische voorstellingen van Geloof, Hoop, Liefde en Rechtvaardigheid, Voorzichtigheid, Sterkte en Matigheid), de opkamer (met o.m. zijn erotische getinte uitbeelding van de mythe van Paris) en de provisiekamer (o.m. de Gouden Tijd geïnspireerd op Virgilius en Ovidius).

De vijf overige vertrekken vertellen de liefde van Johan Frederik voor Dorothea: hoe hij haar tijdens de jacht zijn liefde bekende en wreed werd getroffen door haar vroegtijdig overlijden (Didokamer) hoe hij haar over de dood heen trouw bleef beminnen (kamer van de Eeuwige Liefde) tot ze elkaar weerzien in het paradijs van de Eeuwigheid (Grote Zaal).

De veelheid van schilderingen maakt het onmogelijk de details tijdens één bezoek te bestuderen. Alleen al de Grote Eetzaal of Didokamer verhaalt in elf schilderingen Vergilius' liefdesverhaal van Aeneas en Dido (lees: Van Baer en Dorothea). De plafondschildering verhindert de gasten bijna te eten. Een bezoeker telde in de azuurblauwe hemel die het cartouche omringt alleen al 244 engeltjes. Het schouwstuk beeldt op dramatische wijze het einde van het verhaal uit: de dood van Dido (Dorothea) op een met kransen en bloemslingers versierde brandstapel.

Van Baer heeft de schilderingen van de mooie Grote Zaal vooral een vrome en troostrijke lading gegeven. Boven de schouw wordt Proserpina (Dorothea) wreed geschaakt door de god van de onderwereld. Maar tijdens de hemelse bruiloft vindt zij haar geliefde (baron Van Baer) weer en wacht hen het eeuwig geluk. Om dit tot uitdrukking te brengen heeft Gerard Hoet allerlei gestalten uit de Grieks-romeinse oudheid en het christendom te hulp geroepen. En zo vinden we Bacchus (wijngod) en Ariadne (Dorothea) naast Thomas van Aquino (de grote leraar van de roomse orthodoxie). De katholieke Johan Frederik kende zijn klassieken en had voor alle schilderingen een verklaring.

Wie duizelt van de schilderingen kan genieten van het blanke stucwerk. De 17de eeuwse hal pronkt met een volstrekt uniek plafond van 5 x 15 meter waarop een massa wuivende palm- en beukenbladeren in hoog-reliëf zijn aangebracht. Centraal bevinden zich drie cartouches met o.m. de initialen van de bewoner: FJVB (Frederik Johan Van Baer).

Hier hing ooit de portrettengalerij van de familie, die na de verkoop van het kasteel in 1772 zijn overgebracht naar Haus Vornholz in Munsterland. Ook het meubilair is verdwenen.

Maar het unieke stucwerk, het bezienswaardige houtsnijwerk (eiken), en de spectaculaire wand-en plafonschilderingen van Slangenburg zijn dankzij restauraties en het zorgvuldig onderhoud door het huishoudelijk personeel bewaard gebleven.

Ook wat zijn functie betreft is de Slangenburg een unicum: het kasteel is thans verhuurd aan de op het landgoed gelegenheid Sint Willibrordusabdij. Het is geen hotel, pension of restaurant maar wie zich in stilte wil bezinnen kan hier minimaal drie dagen en nachten logeren. Wie zou niet willen overnachten in de pompeuze alkoofkamer op de eerste verdieping onder een mythologische plafondschildering? Een nacht in de muziekkamer waarin Minerva godin van de kunsten en wetenschappen centraal staat moet weldadig zijn. Op de begane grond is een kleine kapel ingericht en de gast die er behoefte aan heeft, kan door de bossen naar de abdij wandelen om deel te nemen aan de officies.

Frederik Johan zou zeker zijn goedkeuring verlenen aan de nieuwe bestemming van zijn kasteel: de hemelse boodschap van zijn interieur is van tijdloze schoonheid en betekenis.

 Thera Coppens

Kasteel Slangenburg

Kasteel Slangenburg is niet toegankelijk voor bezichtiging. Men kan er wel in retraîte gaan. Inlichtingen en reserveringen uitsluitend bij: Kasteel Slangenburg Kasteellaan 6 7004 JK Doetinchem telefoon: 0315-29 82 00